Photo by Daniel J. Schwarz on Unsplash
Strijd
augustus 16, 2021

Vastgehouden worden, één van onze meest basale hechtingsbehoeftes. Als we ons alleen voelen, als we verdrietig zijn, als we ons onbegrepen denken, alles wat we dan willen is vastgehouden worden, een arm om ons heen geslagen krijgen, een omhelzing zonder woorden. En we doen er alles voor om dat te krijgen. We gaan over onze grenzen, we offeren onszelf op, we doen ons stinkende best om de ander te plezieren, of we vechten, maken ruzie, maken ons punt. ‘Houd me vast, alsjeblieft, zie dan dat ik je nodig heb’, is de subtekst die we niet uitspreken. En zo raken we steeds meer van elkaar verwijderd, want de ander leest de subtekst niet, snapt jouw wanhopige schreeuwen niet, keert zich af van jouw gedram, ziet jouw zwijgen als afwijzing, of voelt zich verstikt door jouw please-gedrag. Tot we uiteindelijk weg willen, uit elkaar, niet meer in deze wanhopig makende tredmolen van steeds maar diezelfde passen.

Als kind móeten we worden vastgehouden, gedragen zelfs van a naar b, omdat we zelf nog niet kunnen lopen. Maar ook, en misschien wel het meest belangrijk, gaat het vasthouden en dragen over onze emoties. We hebben ‘holding’ nodig als we overstuur zijn, we hebben het nodig gezien te worden in onze behoeftes en daarin ook vervuld te worden. We hebben het nodig dat onze verzorger ziet wat we nodig hebben, op welk moment en dat ons dan aan ons geeft. We kunnen het nog niet uitspreken, we kunnen het alleen uiten, met emoties, geluiden, bewegingen. Eén van de belangrijkste dingen die we nodig hebben is aanraking, het is nodig voor onze ontwikkeling en voor onze gezondheid, voor onze overleving zelfs. Een mooi voorbeeld daarvan is dit onderzoek in moderne weeshuizen in de jaren 50 van de vorige eeuw: Uit vrees voor besmetting kregen de verpleegsters de opdracht de kinderen niet aan te raken en niet met ze te spelen. Hoewel ze verder perfect verzorgd werden, stierf toch 40% van de kinderen aan de mazelen. Buiten de weeshuizen stierf slechts 1 op de 100 besmette kinderen aan deze ziekte. Ik groeide zelf iets later op, maar kwam ook als baby van een half jaar zes weken lang zonder ouderlijk contact in het ziekenhuis te liggen. Mijn ouders stonden achter glas naar me te kijken. Ik krijg associaties met zoommeetings en andere coronamaatregelen. Hoewel ik hier natuurlijk geen actieve herinnering aan heb, zul je begrijpen dat het zijn sporen na laat in een mens, ook als hij/zij eenmaal volwassen is. De noodzaak van fysiek contact voor de hechting werd pas in de 80tiger jaren door het onderzoek van Bowlby erkend.

De meesten van ons zijn niet in een weeshuis groot gebracht, maar wel met ouders die ook hun eigen onvervulde behoeftes met zich meedragen. Daarom zijn ze niet altijd beschikbaar, niet altijd responsief en niet altijd even liefdevol naar ons geweest als kind. Dat maakt dat wij als volwassene rondlopen met gevoeligheden met betrekking tot hechting, relaties en liefde. Als ik in mijn praktijk met stellen werk en we nemen de tijd om te voelen onder de boosheid of de radeloosheid, dan komt vaak die kwetsbaarheid naar boven. Een gevoeligheid waarin we kunnen voelen wat we gemist hebben en wat we zo nodig hebben van die ander. En vaak is vastgehouden worden, gezien worden en gehoord worden het enige wat nodig is, ook al ben je het kind niet meer dat je toen was. Het hoeft niet opgelost te worden, je hoeft niet te veranderen, er is geen script, je hoeft er alleen maar te zijn.

In de Houd me Vast training leer je hoe je ook met woorden elkaar en jezelf kunt blijven vasthouden.

Toegift: Besame Mucho

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *